Afbeelding via Pixabay |
Mijn opa en oma hadden telefoonnummer 1331. Die vier cijfers waren alles wat je nodig had om hen te bereiken. Belde je van verder weg, dan kwam daar nog netnummer 04454 voor.
De
nummers van familie en vrienden wist je in die tijd uit je hoofd. Andere
nummers had je in zo’n speciale telefoonklapper staan: je stelde een schuifje
in op de eerste letter van de achternaam, drukte op een knop en het ding
floepte open en toonde een kaartje met alle namen en nummers die bij die letter
hoorden. Met de hand geschreven.
Thuis
hadden we lange tijd helemaal geen telefoon. Daar kon je in de jaren zeventig prima
mee leven. En die ene keer dat je echt iemand moest bellen, klopte je aan bij
de buren. Je gaf ze dan een kwartje voor de kosten. Of je ging naar de
telefooncel in het dorp. Ook daar had je kwartjes nodig. Dat waren belangrijke
muntjes. Jammer dat ze er niet meer zijn.
Toen
we uiteindelijk dan toch telefoon kregen, waren vier cijfers nog steeds
voldoende. Wij hadden 4006. De PTT was de monopolist en iedereen had hetzelfde
toestel: de T65, met draaischijf en krulsnoer. Het stond in de woonkamer en als
je in de keuken bezig was, met de deur dicht, dan miste je wel eens een
telefoontje. En dat wist je pas als de beller het later nog eens probeerde
(“Waren jullie niet thuis?”). Daarom lieten mijn ouders diezelfde PTT een extra
bel in de hal installeren. Daar betaalde je, net als voor de T65, huur voor.
Vele
jaren later kocht ik – aarzelend – mijn eerste mobiele telefoon. Een Panasonic,
met een antenne die zo’n twee centimeter boven het toestel uitstak. Het toestel
had een klein LCD-display en fysieke toetsen. Je kon ermee bellen en sms’en.
Vergeleken met de T65 was het aantal functies verdubbeld. Wow!
Kijk
eens waar we nu staan. Zowat iedereen loopt de hele dag rond met een computer
op zak, waarmee je toevallig ook kunt telefoneren. Dat kan op verschillende
manieren. Via je simkaart (het ouderwetse bellen, met een telefoonnummer van
maar liefst tien cijfers), maar ook – al dan niet met bewegende beelden – via
andere apps. Je kunt er zelfs mee vergaderen, zo weten we sinds de
coronapandemie – desnoods met mensen in alle uithoeken van de wereld. De meeste
mensen hebben de vaste telefoon de deur uit gedaan. Of er nooit eentje gehad.
Maar
wat als dat allemaal plotseling niet meer werkt? Niemand is meer bereikbaar,
althans niet telefonisch. Je kunt alleen nog indirect met elkaar communiceren. Via
e-mail of via chat-apps. Welke impact heeft dat op ons sociale en professionele
bestaan? Tal van onderwerpen hebben baat bij live interactie; als die via mail
moeten, dan kan het ‘gesprek’ gemakkelijk de verkeerde kant op gaan doordat de
een de ander verkeerd begrijpt.
Als
telefonie én videovergaderen langdurig zouden uitvallen, dan zouden we
ongetwijfeld weer vaker naar kantoor gaan. Dan zou het weer zoals vroeger
worden: maximaal één dag thuiswerken. Iedereen heeft zo zijn persoonlijke
voorkeur, maar ik koester het thuiswerken. Een dag per week in het kippenhok
zitten (en, toegegeven, ook zelf aan het geklets meedoen) is voor mij wel
genoeg.
Wat
doen we eraan om te voorkomen dat alles uitvalt? Diversiteit speelt een
sleutelrol. We hebben in Nederland drie mobiele netwerken (Vodafone, Odido en
KPN (de erfgenaam van de PTT!)). Alle andere aanbieders liften mee op deze
netwerken. Het is voor organisaties financieel en vanuit beheeroogpunt
aantrekkelijk om hun telefonie bij één aanbieder onder te brengen. Maar als
daar dan een keer iets goed misgaat, dan heeft meteen de hele organisatie een
black-out. Het zou dus beter zijn om je kansen te spreiden. Je zou dan zelfs
zover moeten gaan dat de medewerkers van een team niet allemaal bij dezelfde
aanbieder zitten. Ik zie een leuke administratieve uitdaging…
Maar
is het de moeite waard? We hebben toch nooit langdurige uitval? Ik durf er in
het huidige tijdsgewricht niet meer blindelings van uit te gaan dat dat zo
blijft. Er spelen vreemde krachten in de wereld. Die krachten zouden er op enig
moment baat bij kunnen hebben dat een land vleugellam wordt. Daar willen we
liever niet aan denken. En juist daarom moeten we het wel doen.
En in de grote boze buitenwereld …
- zat de hoofdredacteur van The Atlantic ongevraagd in een Signal-groep van de Amerikaanse regering.
- is dit het oorspronkelijke artikel van The Atlantic over de Amerikaanse plannen om de Houthi’s te bombarderen.
- kunnen lager geplaatsten zich een dergelijke fout niet veroorloven.
- gaat SignalGate niet over Signal.
- spint Signal wel garen bij SignalGate.
- heeft een van de SignalGate-deelnemers ook informatie gelekt via een Amerikaanse Tikkie-variant.
- heeft Signal een handige feature om te voorkomen dat je de verkeerde persoon toevoegt.
- kun je controleren of je online accounts gehackt zijn.
- kan een aangevallen luchthaven altijd nog overstappen op whiteboards.
- werkt ChatGPT verslavend.
- is ook Troy Hunt (van Havibeenpwned) niet veilig voor phishing.
- is de Rijkscloud weer een stapje dichterbij.